Blusmiddelen

Woningbrand

Blusmiddelen

Een brand ontstaat niet zomaar. Er moeten bepaalde factoren aanwezig zijn voordat een brand zich ontwikkelt. Er moet namelijk een brandbare stof zijn, lucht (zuurstof) moet in een bepaalde verhouding staan met de aanwezige brandbare stof en de brandbare stof moet een bepaalde temperatuur hebben. Dit noemt men het ontstekingspunt. Voor het blussen van een brand moet een van bovengenoemde voorwaarden worden uitgeschakeld. Dit uitschakelen kan op veel manieren zodat er veel soorten blusmiddelen zijn. Maar let op: Niet ieder blusmiddel is geschikt voor iedere brand.

5 Brandklassen:

A: Brand van vaste stoffen zoals hout, papier, meubelen enz.

B: Brand van vloeibare stoffen zoals benzine, diesel, alcohol en olie.

C: Gasbranden zoals butaan-, propaan-, LPG en aardgas.

D: Metaalbranden zoals magnesium, aluminium, barium en lithium.

E: Elektriciteitsbranden, elekticiteit zelf brand niet maar kan wel door kortsluiting brand veroorzaken waarbij de elektriciteit een extra gevaar is bij het blussen.


Blussen met water 

Door een brand met water te blussen zal de temperatuur gaan dalen.

Zand als blusmiddel

Zand zorgt ervoor dat er geen zuurstof meer bij de brand kan komen. Op deze manier kan een kleine brand geblust worden.

Natblussers

Dit zijn apparaten die u zelf met water kunt navullen. Ze worden veelal gebruikt bij A-branden.

Draagbare blustoestellen

Eigenlijk lijken alle blustoestellen wel op elkaar en het zou ideaal zijn voor de gebruiker als alle toestellen op dezelfde wijze bediend zouden kunnen worden en universeel inzetbaar zouden zijn. Toch moet er onderscheid gemaakt worden in soorten branden (brandklassen) en dat leidt automatisch tot een onderscheid in blusstoffen. Verder kan er onderscheid gemaakt worden naar bediening, hoeveelheid blusstof en werkingsmechanismen. Het Besluit Draagbare Blustoestellen van 1986 schrijft voor dat op ieder blustoestel een duidelijk etiket aanwezig moet zijn, waarop in ieder geval vermeld moet staan:

§         Het soort blustoestel met het type en de vulling, alsmede een opgave van het blusvermogen.

§         De gebruiksaanwijzing en de pictogrammen van de brandklassen waarvoor het blustoestel geschikt is.

§         De beperkingen en de gevaren van het gebruik van het blustoestel.

§         Naam en adres van de leverancier of producent, alsmede het rijkskeurmerk en het productiejaar.

§         Bovendien moet op het blustoestel aangegeven zijn hoe gehandeld moet worden na gebruik en welke blusstoffen en drijfgassen bij hervulling gebruikt moeten worden.

Om een optimaal bluseffect te krijgen moet de juiste blusstof bij een brand worden toegepast. Het is wel mogelijk om met andere blustoestellen een bepaalde brand te bestrijden, maar het effect zal dan veel minder zijn, of de beschikbare hoeveelheid blusstof is onvoldoende. Ook kunnen bij verkeerd gebruik van bepaalde blusstoffen gevaarlijke situaties ontstaan, bijvoorbeeld bij het blussen van metaalbranden of onder spanning staande apparatuur met water. In de onderstaande lijst is aangegeven welke blusstof geschikt is voor welke brand en bij welke blusstoffen in bepaalde situaties een gevaar voor de gebruiker kan ontstaan. Bij alle branden moet apart rekening worden gehouden met apparatuur die onder elektrische spanning staat, zoals schakelkasten, transformatoren en computers. De geschiktheid van een blusmiddel bij elektrische apparatuur staat daarom in deze lijst genoemd. De bluswerking van de verschillende blusstoffen is niet gelijk. Water wordt hoofdzakelijk gebruikt om de brandende vaste stof te koelen. Daar komt bij dat door stoomontwikkeling de zuurstof kan worden verdrongen. Bij schuim wordt het bluseffect bereikt door afdekking van de brandende stoffen. Dit voorkomt verdere opwarming van de brandstof door de vlammen en vermindert zo de hoeveelheid brandbare dampen die vrijkomt. Bij poeder wordt het blussend effect bereikt doordat wordt ingegrepen in de chemische reactie van de brand (negatieve katalyse). Sommige poeders vormen ook nog een afdekkend laagje over de brandende stoffen. Tenslotte kan plaatselijk de zuurstof worden verdrongen zoals bij gebruik van kooldioxide.

Blusstoffen

Water:                      Water is een goede blusstof, is goedkoop, bijna altijd toepasbaar en aanwezig.

Bluswerking:               afkoeling, verdringing zuurstof (door stoomvorming).

Middelen:                   slanghaspels, blustoestellen.

Toepassing:                vaste stofbranden, verdunbare vloeistoffen.

Onbruikbaar bij:         branden van elektrische spanningvoerende apparatuur, branden van niet verdunbare vloeistof,

                               gasbranden, metaalbranden.

Voordelen:                 groot koelend vermogen, goedkoop, meestal in grote hoeveelheden aanwezig, ongevaarlijk.

Nadelen:                   elektrisch geleidend, vorstgevoelig, waterschade, ongeschikt voor vloeistofbranden, vervuiling.

Poeder:                    is een goede blusstof en is afhankelijk van het type poeder geschikt voor bijna alle typen branden.

           De letteraanduiding bij een poeder geeft aan voor welke brandklasse(n) het bestemd is.

Bluswerking:              negatieve katalyse, soms afdekking.

Middelen:                  blustoestellen, poederbluswagentjes tot 50 kg.

Soorten:                   natriumbicarbonaat (BC-poeder), kaliumcarbonaat (BC poeder), mono ammoniumfosfaat

          (ABC-poeder), kaliumchloride (D poeder).

Toepassing:               vaste stof-branden, vloeistofbranden, gasbranden.

Bruikbaar bij:            poeder is bruikbaar bij de meeste branden, doch kan veel schade veroorzaken, vooral aan elektrische

           en elektronische apparatuur.

Voordelen:                  niet elektrisch geleidend, overal toepasbaar, niet vorstgevoelig.

Nadelen:                    vermindering van zicht, gevolgschade, moeilijk op te ruimen.


Koolzuurgas:              is onbrandbaar, zwaarder dan lucht en geeft nauwelijks nevenschade

Bluswerking:               verdringing van zuurstof en iets koelende werking.

Middelen:                   blustoestellen, bluswagentjes.

Toepassing:                vloeistofbranden, branden van elektrische spanningvoerende apparatuur.

Onbruikbaar bij:         vastestof branden met gloedvorming, metaalbranden.

Voordelen:                 niet elektrisch geleidend, niet vorstgevoelig, weinig nevenschade.

Nadelen:                   verwaait in open lucht, verdrijft zuurstof, dus gevaarlijk in gesloten ruimte, bevriezing van de huid bij

           direct contact, statische elektriciteit.

Schuim:                    heeft een goede afdekkende werking en komt in verschillende hoedanigheden voor,

           waardoor het bij diverse soorten branden is toe te passen.

Bluswerking:              afdekking.

Middelen:                  blustoestellen, slanghaspels met tussenmenger.

Soorten:                   chemisch schuim; mechanisch (lucht)schuim; AFFF (light water).

Toepassing:               chemisch schuim wordt alleen nog in blustoestellen gebruikt voor speciale toepassingen,

          bijvoorbeeld in een vorm die alcoholbestendig is. Mechanisch schuim komt niet

          voor in draagbare blustoestellen. Verder zijn er toestellen waarmee water met AFFF

          met een gebonden straal op de brand wordt gebracht en de schuimblusser waarbij druppeltjes water 

                              met AFFF in een sproeistraal uit het toestel komen en op de brandende stoffen een afdekkende laag

          vormen.

Onbruikbaar bij:        gasbranden en metaalbranden en bij gebruik van water met AFFF in een gebonden straal bij spanningvoerende elektrische apparatuur.

Voordelen:                   weinig gevaar voor de gebruiker (zelfs bij ondeskundig handelen) en

                                    weinig nevenschade door het blusmiddel, hetgeen niet wegneemt dat

                                    reconditioneren door de brandschade wel nodig kan zijn.

Nadelen:                     vorstgevoelig.

Zand:                           is algemeen toepasbaar en goedkoop.

Bluswerking:               afdekking.

Middelen:                     blusemmers, bluskisten.

Toepassing:               vloeistofbranden.

Onbruikbaar bij:           branden van elektrische spanningvoerende apparatuur.

Voordelen:                   in grote hoeveelheden voorradig, goedkoop.

Nadelen:                     nevenschade aan apparatuur, vernieling van machines.

Blusdeken:               is algemeen toepasbaar en goedkoop

Bluswerking:               afdekking.

Middelen:                     blusdeken.

Toepassing:               personen en alle kleine branden.

Onbruikbaar bij:           grote branden.

Voordelen:                   opnieuw te gebruiken, goedkoop.

Nadelen:                     geen.

AFFF-blussers

Dit staat voor aquaous film forming foam, ofwel waterig, filmvormend schuim. Deze apparaten zijn geschikt voor zowel A als B branden. Weinig waterschade door dit blusmiddel.

Poedersblussers

Bluspoeders zijn er als A poeder en B poeder. Het A poeder is geschikt voor A, B en C branden. Het B poeder is alleen geschikt voor B en C branden. Bluspoeder lijkt veel op water. Het is net zo licht en stroomt heel gemakkelijk. Pluspoeders remmen het verbrandingsproces af. U moet wel goed oppassen voor de ogen en huid.

BCF

CF staat voor broom-chloordifluormethaan halon. Dit is een gas dat het verbrandingsproces afremt. Het zorgt voor een negatieve katalysatie. Milieu bewust is deze brandblusser niet. Net als de CFK’s tast deze stof de ozonlaag aan. De ozonlaag hebben wij op aarde nodig als bescherming tegen de ultraviolette straling van de zon. Om deze reden mogen BCF blussers ook niet meer worden verkocht of nagevuld.

Koolzuursneeuw

Koolzuursneeuw is koolzuurgas met kooldioxide. Door deze manier van blussen wordt de temperatuur verlaagd en het zuurstofgehalte van de lucht verminderd. Koolzuursneeuw kan geen elektriciteit geleiden en laat geen rommel achter.

Het wordt vaak gebruikt voor het blussen van vloeistof en gasbranden. In de openlucht verwaait de koolzuursneeuw vrij snel. Het gevaar van koolzuursneeuw is dat in kleine ruimte gevaar voor verstikking is wat zelfs dodelijk kan aflopen. Wij raden u daarom aan om koolzuursneeuw niet voor privé te gebruiken.

Grootte van de blusser

Blussers zijn er met een 1, 2, 6 en 9 kilo inhoud. Er moet eerlijk vermeld worden dat de blussers met een inhoud van 1 kilo minder krachtig blussen, en een kleinere blusstraal hebben. De meeste blussers hebben een druk van 10 tot 15 bar. Stikstof wordt gebruikt als drijfgas. Het is belangrijk om regelmatig de druk van de blusser te controleren. Dit kunt u doen met een manometer. Wanneer er maar een klein lek in de blusser aanwezig is zal deze naar verloop van tijd niet meer bruikbaar zijn.

Lees altijd goed wat er op het etiket staat. Zoals al eerder vermeld zijn niet alle blusmiddelen geschikt voor het blussen van een brand. Het is aan te raden om duidelijk leesbaar voor iedereen de gebruiksaanwijzing op de blusser te plakken. Op deze manier hoeft de gebruiker in geval van nood niet eerst aandachtig de gebruiksaanwijzing door te nemen. Want u weet het bij brand telt iedere seconde.

Hoe gebruikt u een brandblusser?

§         Bij brand moet u altijd als eerste controleren of het blusmateriaal geschikt is om betreffende brand te blussen.

§         Houdt de blusser altijd zover mogelijk voor u uit.

§         Let erop dat u altijd een eventuele borgpin moet verwijderen voordat u kunt blussen.

§         U moet altijd proberen het vuur zo dicht mogelijk te benaderen.

§         U moet proberen de blusser tijdens het blussen zoveel mogelijk rechtop te houden.

§         Kijk altijd voor directe vluchtwegen of uitgangen om u heen.

§         Een brand moet u blussen vanonder naar boven en van voor naar achteren.

§         Wanneer u buiten aan het blussen bent moet u altijd met de wind mee blussen.

§         U moet ten alle tijde vluchten wanneer u de brand niet onder controle kunt krijgen.

§         Ook na het blussen kan er nog materiaal smeulen. Houd dit dus altijd goed in de gaten.

§         Wanneer er gevaarlijke stoffen in de ruimte zijn kunt u beter vluchten in verband met ontploffingsgevaar.

§         Blus met korte stoten.

§         Blus grotere branden zoveel mogelijk met meerdere toestellen tegelijk.

§         Loop na de blussing achterwaarts terug (niet omkeren!) en houd het blustoestel gereed in verband met een eventuele herontsteking.

§         Laat na gebruik het blustoestel direct hervullen door leverancier of onderhoudsbedrijf.

Plaatsing

Blustoestellen moeten in een huis zodanig worden verdeeld en opgehangen dat bij een calamiteit het blustoestel zo snel mogelijk kan worden ingezet. Omdat ieder complex zijn eigen specifieke gevaren heeft, is die verdeling van blustoestellen maatwerk. Er bestaan wel een aantal regels die bij een indeling behulpzaam kunnen zijn:

1.     Blustoestellen moeten duidelijk zichtbaar worden opgehangen.

2.     Blustoestellen moeten direct inzetbaar zijn.

3.     Blustoestellen moeten in of bij vluchtwegen worden opgesteld, onder andere in gangen, hallen, trappenhuizen en nooduitgangen.

Als richtlijn voor de verdeling van blustoestellen wordt uitgegaan van de brandgevaren in die ruimten. Per 200 m2 of gedeelte daarvan moet een blustoestel aanwezig zijn, met een minimum van twee toestellen per ruimte of verdieping. Onder een blustoestel wordt verstaan:

§         Schuimblusser

§        Schuimblusser met sproeistraal

§        Poederblusser

§         Koolzuursneeuwblusser

Uiteraard moeten de blustoestellen afgestemd zijn op het type brand dat in de ruimte kan worden verwacht. Voor ruimten of verdiepingen die kleiner zijn dan 100 m2 kan met een blustoestel worden volstaan, evenals voor vrijstaande huizen kleiner dan 50 m2 met een laag brandgevaar zoals kantoren, kantines zonder keuken en opslagruimten van brandongevaarlijke goederen.

Slanghaspels

De toepassing van vaste brandslanghaspels is een standaardeis voor bijna ieder huis. In de praktijk blijkt immers dat iedereen dit middel kan gebruiken en er ook daadwerkelijk resultaat mee kan bereiken. Het voordeel van vaste slanghaspels ten opzichte van blustoestellen is dat water gebruikt kan worden bij de meest voorkomende branden. Bovendien is de werking van de slanghaspel onbeperkt, terwijl een blustoestel na 16 a 20 seconden leeg is, waarna een volgende moet worden gebruikt. Het vast aansluiten van een tuinslang op de waterleiding is voor woningen een uitstekend blusmiddel, mits alle hoeken van het huis bereikt kunnen worden. Ook wanneer de brand te groot is om in korte tijd te worden geblust, kan de omgeving hiermee worden natgehouden, zodat de brand zich niet zal uitbreiden. Bij ruimten of verdiepingen die kleiner zijn dan 200 m2 kunnen ’minislanghaspels’ worden toegepast. Deze haspels kunnen worden aangesloten op de normale waterleidingvoorziening in het huis. De eisen die gesteld worden aan minislanghaspels zijn:

§         Slangdiameter 12 mm

§         Slanglengte 15 meter

§         Afsluitbare straalpijp

§         Afsluiter 19 mm met stopkraan.

Een vaste slanghaspel bestaat uit een rubberslang die via een trommel met wateraansluiting op de waterleiding wordt aangesloten. In Nederland moeten deze haspels voldoen aan de volgende specificaties:

§         een maximale slanglengte van 20 meter

§         een wateropbrengst van minimaal 20 liter per minuut

§         bij een waterleidingdruk van 100 kPa voor de geopende toevoer afsluiter.

            Belangrijke punten voor de toepassing van slanghaspels zijn:

§         De herkenbaarheid; vaak worden deze haspels opgeborgen in kasten die in de wandafwerking worden gecamoufleerd zodat de haspels in geval van brand onvindbaar zijn.

§         Haspels moeten met het hart minimaal 100 cm boven de vloer worden aangebracht, zodat het mogelijk is de slang goed uit te rollen.

§         De afsluiter van de haspel moet zich aan de boven- of zijkant bevinden, waardoor de zichtbaarheid goed en de bediening gemakkelijk is.

§         De bovengrondse waterleidingen mogen niet in kunststof worden uitgevoerd.

Instructie

Niet alle blustoestellen zijn gelijk en er wordt niet dagelijks gebruik van gemaakt. Er is een aantal punten waarop men moet letten, zodat in geval van brand niet eerst het etiket van het blustoestel moet worden gelezen, waarna het blustoestel al op grote afstand van de vuurhaard in werking wordt gesteld, zodat het leeg is voor het heeft geblust. Deze punten, die voor iedereen gelden, zijn:

§         Leer de bediening en de werking van de aanwezige blustoeste11en.

§         Oefen regelmatig met blustoestellen.

§         Ken de plaats van de blustoestellen.

De waarde van het blustoestel wordt groter als men er deskundig mee om kan gaan. Na regelmatige instructies zal blijken dat ook moeilijke en grotere branden met kleine blusmiddelen kunnen worden geblust.

Onderhoud

De norm NEN 2559 geeft duidelijke richtlijnen voor controle door de gebruiker, periodiek onderhoud en inspectie door een deskundige en periodieke revisie die verplicht door een erkend deskundige moet worden uitgevoerd. Voor al deze handelingen geeft de norm per type blustoestel aan wat wel en niet moet worden gecontroleerd. De Regeling voor de Erkenning van Onderhoudsbedrijven kleine Blusmiddelen (REOB) bewaakt de kwaliteit van ondernemingen die zich specialiseren in het onderhoud van kleine blusmiddelen.

 

.